In Flanders Fields

september 26, 2007

In een beperkte reeks toch nog dubbels… (victa placet mihi causa)

Ingedeeld onder: B-plus, Claus | Hugo, Freud | Sigmund, Red de Solidariteit, Zinzen | Walter, van Istendael | Geert — raemdoncknicolas @ 6:17 pm

Er zijn altijd mensen geweest, en er zullen altijd mensen zijn, die hun genoegen hebben in het aanleggen van verzamelingen. Voor velen waren vroeger bierviltjes of sigarenbandjes een deel van hun geluk, of liebigprentjes. Of zij verzamelden artis- en historiapunten en kwattasoldaatjes en later leowikkels, omdat die recht gaven op ineens hele reeksen van prenten.
Dr. Freud had een lelijke term voor die neiging. De doctor noemde die gedragingen anaal. Het had volgens hem te maken met het ophouden van de pis en de kak.

Zelf zou ik niet zo hard zijn in mijn oordeel, al was het maar omdat ik die neiging tot verzamelen gedurende zekere tijd ook heb vertoond. Bij mij ging het om prentjes van coureurs, een reeks van 40 geloof ik, en je kon die bekomen door veel kauwgomballen te eten uit een automaat die bij elke kauwgombal telkens één prentje afleverde – na inworp van een munt ter waarde van één veertigste van een Euro ongeveer.
De ballen zelf waren uitgesproken slecht. Bij het eerste contact met het speeksel smaakten ze zelfs bitter, maar gaandeweg beterde dat. Ze waren bovendien hol, zodat er gelukkig niet veel te kauwen viel. Hun prijs, lezer – en u zult die misschien laag vinden – was in die mate prohibitief dat ik nooit een volledige reeks heb bezeten.
Ik bezat gelukkig wel Van Looy, Cerami, van Daele, Foré, Van Geneugden, Schroeders enzovoort, zeer tot mijn trots, maar bijvoorbeeld op Vannitsen heb ik nooit de hand kunnen leggen. Van Looy had ik zelfs dubbel, en Adriaensens ook, en zekere Scodeller, maar niemand van mijn school had Vannitsen dubbel, dat ik wist. Die dubbels hadden maar een beperkt nut in een markt die niet volledig transparant was en weinig liquide. Je wisselde niet zomaar met iedereen plaatjes uit. Dat was pijnlijk toen, maar vele schoolgenoten verkeerden in hetzelfde geval.

Vandaag plots, voelde ik die oude anale neiging tot verzamelen weer opkomen.

We kennen allemaal B-plus, en ik heb daar zonder te willen al veel prentjes van, maar nu komt er een concurrerende firma op de Belgische markt hoorde ik. Red de solidariteit heet ze, een naam die ze in Nederland bij Marijnissen ingepikt zullen hebben. Red de solidariteit lijkt iets meer op de entertainmentmarkt gericht dan B-plus, maar ze komen wel met sterk gelijkende prentjes. En het bekende probleem van de dubbels duikt helaas weer op.

Goed, ik heb nu Claus, en die wil ik niet inwisselen want ik heb er maar één, maar kan iemand iets doen met een Zinzen of een Van Istendael?
.

juli 31, 2007

Stelling 177: over de staat België valt geen serieus woord meer te zeggen (victa placet mihi causa)

Ingedeeld onder: B-plus, Barnard | Benno, Eppink | Derk Jan, Fermat | Pierre de, Opinio, Vermeylen | August — raemdoncknicolas @ 11:03 am

.
Nu deze stelling op het bord staat, voelt iedereen wellicht aan dat ze correct is. Een beetje zoals in de klas: tot zelfs de stomste leerling op de laatste bank ziet het voor zijn ogen als twee bepaalde hoeken gelijk zijn, of twee lijnstukken even lang. Maar een gevoel is nog geen bewijs, en onze zintuigen kunnen bedriegen.
Hoe eenvoudiger de stelling, des te ingewikkelder vaak was het bewijs! En de meester stond niet toe dat wij ons er van af maakten met: “ik heb een echt merkwaardig bewijs gevonden, maar mijn blad is te klein en het kan er niet op” …terwijl dat de beroemdste zin nochtans was van de grote wiskundige Pierre de Fermat: .“j’ai découvert une preuve réellement remarquable, que cette marge trop étroite ne me permet pas de détailler”. Wij mochten zulke dingen niet. Terecht, want het heeft nog ruim drie eeuwen geduurd voor die stelling van Fermat ook echt bewezen was.
Zo lang wachten kan niemand nog, besef ik, maar helaas is een blog te smal voor een sluitend bewijs, en trouwens: het zal een bewijs uit het ongerijmde moeten worden. Wij zullen dus alle mogelijkheden van het tegendeel zorgvuldig moeten uitvlooien, en pas als die allemaal tot tegenstrijdigheden leiden, kunnen wij besluiten tot de geldigheid van onze oorspronkelijke stelling.
.
Dat is een moeizaam proces, maar gelukkig heeft Benno Barnard al een deel van de voorbereidende werken voor zijn rekening genomen. In het prachtige Nederlandse weekblad Opinio, dat verder niets dan goede artikelen heeft, gaat onze man een twistgesprek aan met Derk Jan Eppink. Oordeelt u zelf of u de poging van Barnard goed rekent, want de man probeert iets zinnigs te zeggen over België:

België biedt alle voordelen van een meervolkerenstaat. Wij, inwoners van dit land op de grens van de Germaanse en Romaanse wereld, zijn door zijn ligging, cultuur en geschiedenis ware Europeanen. Ons land is zo groot als zijn talen, waartoe ook het Duits behoort – het strekt zich dus in zekere zin uit van de Waddenzee tot de Pyreneeën, en van de Noordzee tot Polen. Wrijvingen zijn vervelend, maar ze scherpen onze zin voor democratie, wat van de Belgen de beste diplomaten ter wereld maakt. Tegen elkaar aanwrijven is niet altijd onprettig: België heeft ook wel iets van een vrijpartij, met licht sadomasochistische trekken misschien. In elk geval heeft een en ander gemaakt dat de Belgische literatuur en kunst zowel expressionistisch als surrealistisch zijn, en bovenal uitzonderlijk vitaal.

De vereniging B-plus druipt van de ernst, maar ze hebben toch ook een nar in dienst.
__________________________

P.S. .Maar om iets dieper in te gaan op dat laatste, die typisch “Belgische” kwaliteiten van onze kunst: als ik daarover iets wil vernemen dan lees ik, met mijn excuses, nog altijd liever de grote August Vermeylen dan Benno Barnard.

Hier twee uittreksels uit lezingen die die man gaf, niet toevallig in …1930. Die speeches zijn, behalve bij De Slegte, ook te vinden bij de Bibliotheek der Nederlandse Letteren.

August Vermeylen riskeert wel een schokje te geven aan Benno B-plus, vrees ik:

Geachte Toehoorders, - Het is zeker een zonderling feit, dat, terwijl wij de gebeurtenissen van 1830, met het oog op de algemene kultuur, als een ramp mogen beschouwen, de Vlaamse letterkunde toch ongeveer van dat onzalige jaar 1830 dagtekent. Dat verklaar ik aldus: niet aan de Belgische onafhankelijkheid hebben wij onze letterkunde te danken, maar ondanks de Belgische onafhankelijkheid is zij ontstaan. […]

Vermeylen, als altijd bijzonder erudiet en genuanceerd, heeft het niet over “Belgische kunst”, of in dit geval over “littérature belge”, maar over “une littérature de Belgique…”:

Ce sont celles [ttz. de kwaliteiten die gemeenschappelijk zijn aan meerdere «Belgische» schrijvers, zowel benoorden als bezuiden de taalgrens] que je signalais plus haut comme ‘flamandes’, et spécialement le goût de la couleur (tradition de la peinture!), l’attachement sensuel aux matérialités, qui se combine de surprenante façon au sens du mystère qu’on devine derrière ces matérialités. Si dissemblables qu’ils soient, c’est ce qui unit pourtant Verhaeren, van de Woestijne, Gezelle, Maeterlinck (ces trois derniers nourris d’ailleurs du mysticisme de Ruusbroec). Certains poèmes de van de Woestijne ont exactement la même splendeur de tons et la même concentration torturée que certains poèmes de Verhaeren, comme certains contes de Demolder procèdent de la même vision que certains récits de Timmermans, comme Baekelmans n’est parfois pas loin d’Eekhoud. Les rapports de mentalité sont suffisants pour qu’on puisse parler d’une littérature de Belgique. Mais pour qui voit toutes les nuances de la réalité, le danger serait ici de donner à cette littérature ‘belge’ un caractère national trop strictement délimité.
.

Blog op Wordpress.com.