Hillary en Barack, en gelukkig ook Salvador (victa placet mihi causa)
.
Het Arabische begrip al-Taqiyya lezers, is de meesten onder u wellicht onbekend. Dat is spijtig, want als wij willen begrijpen wat er in Amerika aan de hand is met de Democratische senatoren Hillary Clinton en Barack Hussein Obama – in hun lange run naar de presidentsverkiezingen – dan kunnen wij deze term niet lang meer ontlopen.
Eén van de weinigen hier te onzent die de term geloof ik wél goed kent, is de voormalige NAVO-secretarisgeneraal Willy Claes, maar zijn vertaling was dan altijd ontveinzen, en ook al staat dat woord misschien in van Dale, ik vind het geen mooi woord. Het heeft iets dubbels. Dissimulatie is nog zo’n vertaling. Begrijpelijk genoeg, maar zelf gebruiken doe je niet.
Wat Hillary recent aan Barack heeft verweten, is dat deze laatste verzwegen zou hebben dat hij, ter verre voorbereiding van zijn democratische carrière wellicht, vier jaar in een madrassa, een koranschool heeft doorgebracht. Barack Obama sprak wel vrijelijk over zijn christelijke achtergrond langs moederskant, over de Verenigde Kerk van de Drievuldigheid in Chicago waar hij wel eens langs ging, en ook nog over het atheïsme van zijn vader, maar over die madrassa hield hij zijn mond, en dat is bij Hillary slecht gevallen. Hij had dat direct moeten zeggen.
Wellicht ontgaat ook haar het begrip al-Taqiyya. Essentieel is het een positief begrip. Het komt er op neer dat het aan een moslim is toegestaan om tegenover een ongelovige te liegen of de waarheid te verdraaien. Het is onze moslim trouwens niet enkel toegestaan: onder omstandigheden is al-Taqiyya juist een deugdzame houding, waar zijn zieleheil aan vasthangt.
Een kwestie van afwegen dus: zijn de anderen ook moslims, dan is het natuurlijk simpel en geldt al-Taqiyya niet; maar zijn zij dat niet, dan mag de goede gelovige het gevaar voor zichzelf inschatten, en vooral moet hij ook goed overdenken of zijn Geloof beter is gediend met de waarheid, dan wel met een leugen.
Om de moeilijke term al-Taqiyya enigszins te Europeaniseren zou ik hem willen vergelijken met de beroemde reservatio mentalis van de jezuïeten. Ook zij hielden lange tijd vol dat leugen, zelfs meineed er mee door konden, als er een hoger belang in het spel was, én als je in je binnenste een kleine toevoeging deed aan je uitgesproken formule. Je kon bijvoorbeeld zweren: “Ik was gisteren niet op de plek van de moord” en dan in één adem, maar binnensmonds toevoegen: “of liever, eergisteren was ik er niet”. Op die manier was God ook op de hoogte, en was er moreel gesproken niets aan de hand.
Misschien vindt u dit belachelijk lezer, en stonden uw verwachtingen rond het Opperwezen hoger, maar gelukkig heeft destijds Salvador Dali, leerling van de jezuïetenpaters en altijd een goede katholiek gebleven, uw bezwaren opgevangen met zijn verklaring: “Dieu n’est pas grrand, il fait un mètrre à peu prrès, et puis il n’est pas iintelligent.”
Dali verwierp, op theologisch goede gronden meen ik, het goddelijk attribuut der intelligentie, als zijnde een typisch menselijk gebrek.
.